Overslaan en naar de inhoud gaan

Rivierrombout Stylurus flavipes

Foto: Peter Hoppenbrouwers

Indeling

Gomphidae [familie]
Stylurus [genus] (1/1)
flavipes [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

 

Areaal

Onder de Europese rombouten heeft G.flavipes het grootste verpreidingsgebied: van West-Europa tot in Oost-Siberië. De ondersoort G.f.flavipes komt voor in Europa en een groot deel van Azië. De ondersoort G.f.lineatus, die mogelijk als aparte soort beschouwd moet worden, komt voor van Griekenland tot Kazachstan en zuidelijk tot in Syrië. In Europa is de rivierrombout zeldzaam en vooral te vinden in het oosten, waar hij plaatselijk algemeen kan zijn. De zuidelijkste vindplaatsen liggen in Griekenland, de noordelijkste in Estland. In Noordwest-Europa kwam de rivierrombout in de eerste helft van de twintigste eeuw waarschijnlijk wijd verspreid voor. Na een sterke afname is de soort in de tweede helft van de twintigste eeuw enige tientallen jaren beperkt geweest tot populaties langs de Loire en de Allier in Midden-Frankrijk en langs de Elbe en de Spree in oostelijk Duitsland. Vanaf eind jaren negentig is de soort in Duitsland en Nederland sterk toegenomen en is nu weer te vinden langs veel grote rivieren. De eerste Belgische waarneming werd in 2000 langs de Grensmaas gedaan. Gegevens over een toename in andere Noordwest-Europese landen ontbreken, maar waarschijnlijk vooral als gevolg van een geringere onderzoeksintensiteit. Uit Groot-Brittannië is de soort slechts bekend van één waarneming uit de 19e eeuw.

Verspreiding in Nederland

De rivierrombout is voor 1902 zeven keer in Nederland vastgesteld, telkens betrekking hebbend op vangsten van één of twee imago’s. Deze waarnemingen wijzen op populaties in de Rijn, de Maas en mogelijk de IJssel. De waarnemingen bij Leiden en Heemstede zijn curieus – misschien was er een populatie in de Oude Rijn. Na 1902 werd de soort lange tijd niet meer vastgesteld en verdween hij uit het grootste deel van Noordwest-Europa, inclusief Nederland – waarschijnlijk als gevolg van verontreiniging, normalisatie en veranderingen in de oeverstructuur van de Grote Rivieren. Op 5 juni 1996 werd bij Nijmegen een (levende) larve gevonden, tussen de filters van een elektriciteitscentrale aan de Waal (Habraken & Crombaghs 1997). In 1998 werden daar twee larven aangetroffen. Deze vondst leidde tot zoektochten, die verscheidene larvenhuidjes en volwassen rivierrombouten opleverden in zeven uurhokken langs de Waal bij Nijmegen. Hoewel aanvankelijk de herkomst van de gevonden larven onzeker was, is nu wel duidelijk dat er een po-pulatie is in de Waal. In 1998 werd ook gezocht langs de
Nederrijn en de IJssel, maar daar werd de soort toen niet gevonden (Kleukers & Reemer 1998). In 1999 werden larvenhuidjes gevonden op veel plekken langs de Waal, van Nijmegen tot in de Biesbosch, evenals langs de Nederrijn ter hoogte van Wageningen en Rhenen (Termaat 2000). Alle waarnemingen gedaan in de periode 1990-2000 staan in een extra kaart. In 2000 werd de soort op diverse locaties langs de Grensmaas aangetroffen en werd en passant de eerste Belgische waarneming gedaan (pers med. R. Gubbels & J. Slaats). In 2001 werd de soort langs de IJssel gevonden (pers. med. R.
Ketelaar).

Bron

Auteur(s)

Crombaghs, B.H.J.M. , Habraken, J.

Publicatie