Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte glanslibel Somatochlora flavomaculata

Foto: Gé Driessen

Indeling

Corduliidae [familie]
Somatochlora [genus] (3/3)

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op het wateroppervlak, soms tussen dichte begroeiing. Kleine, ondiepe, visvrije, dichtbegroeide wateren met veel organisch materiaal op de bodem zijn ideaal voor de larven. Larven leven op en in modderige bodems en tussen stengels van moerasplanten en ze overwinteren daar ook. Ze zijn bestand tegen het tijdelijk droogvallen van het water. Larvenhuidjes zijn gevonden op 10 tot 30 cm hoogte op rietstengels en waterdrieblad (Menyanthestrifoliata) (onderkant) en tot op 80 cm hoogte op overhangende takken en zeggebladeren. (Gerken 1984, Heidemann & Seidenbusch 1993, Münchberg 1932, Wildermuth 1997) 

Imago’s

Mannetjes worden meestal patrouillerend boven land gezien, zelden boven open water. Bij Budel zijn mannetjes en vrouwtjes aangetroffen die kort boven kleine, door gagel omringde, veenputjes vlogen; eenmaal werd een patrouillerend mannetje boven een beek gezien. De meeste imago’s vlogen echter langs bospaden en boven open plekken in het bos en boven velden van pijpenstrootje, riet en galigaan. Geschikte locaties voor eiafzet zijn klein en verborgen, waardoor vrouwtjes verspreid in het landschap voorkomen en mannetjes op het land dezelfde kans hebben een vrouwtje te treffen als bij water. Waarnemingen van voortplantingsactiviteit zijn schaars. Wildermuth (1997) zag gedurende honderden velddagen verspreid over dertien jaar welgeteld 31 paringswielen en drie eiafzettende vrouwtjes. De paring gebeurde onrustig heen en weer vliegend, af en toe zittend in de vegetatie. Het vrouwtje is bij de eiafzet alleen en strijkt klontjes eieren met dippende bewegingen aan het wateroppervlak af.

Fenologie

De ontwikkeling van de eieren duurt vermoedelijk vier tot vijf weken, de levenscyclus waarschijnlijk drie jaar (Heidemann & Seidenbusch 1993, Schiemenz 1953, Wildermuth 1997). De vroegste waarneming in Nederland is van 10 mei. Dit is de eerste van een serie mei-waarnemingen uit de 19e eeuw in de omgeving van Venlo. De volgende vroegste waarneming is van 1 juni, wat in de buurt komt van de vliegtijd in België, die halverwege juni begint (De Knijf & Anselin 1996). Vermoedelijk sluipen de meeste individuen in juni uit. Met een hoofdvliegtijd in juni en juli is dit een voorzomersoort. Tijdens een dertien jaar durend onderzoek in Zwitserland (Wildermuth 1997) bleken de meeste individuen van midden mei tot begin juli uit te sluipen. De rijpingstijd duurde twee tot drie weken. De meeste individuen vlogen rond in juli en augustus. Mannetjes kunnen minstens twee maanden oud worden.

Verbreidingsvermogen

De gevlekte glanslibel is zeer mobiel. Na de voortplanting waaieren de imago’s uit, en zwervers zijn tot op grote afstand van de voortplantingswateren te vinden. De waarnemingen op de Waddeneilanden liggen op minstens 60 km afstand van de bekende populaties.

Begeleidende soorten

Het beperkte voorkomen van S.flavomaculata in ons land maakt het lastig uitspraken te doen over begeleiders. Ceriagriontenellum en Orthetrumcoerulescens werden aangetroffen in respectievelijk acht en 11 van de 13 kilometerhokken met S.flavomaculata. Wildermuth (1997) vond larven in wateren samen met Nehalenniaspeciosa, Aeshnajuncea, Somatochloraarctica, Libellulaquadrimaculata en Sympetrumdanae. In zijn onderzoeksgebied waren ook Leucorrhiniapectoralis en Corduliaaenea talrijk. Gezien de aard van zijn habitat zal S.flavomaculata met weinig soorten samen voorkomen.

Bron

Auteur(s)

Ketelaar, R.

Publicatie