Overslaan en naar de inhoud gaan

Hoogveenglanslibel Somatochlora arctica

Foto: Lex van Leur

Indeling

Corduliidae [familie]
Somatochlora [genus] (3/3)
arctica [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

 

Areaal

Het verspreidingsgebied reikt van de noordelijke delen van Europa en Azië tot in Japan. In Scandinavië en het noorden van Rusland is het verspreidingsgebied vrijwel aaneengesloten en is de soort niet zeldzaam. Elders in Europa is de verspreiding verbrokkeld en beperkt het voorkomen zich vooral tot hoger gelegen gebieden en enkele hoogveengebieden. In Midden-Europa leeft de soort voornamelijk in de centraal en oostelijk gelegen berggebieden van Zwitserland, Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië en Polen. Op de Britse eilanden is S.arctica beperkt tot de Schotse hooglanden en enkele populaties in Zuidwest-Ierland. De soort gaat er achteruit. In Frankrijk is hij zeldzaam, maar lijkt daar juist vooruit te gaan: na 1970 is hij verscheidene keren gemeld uit het westen, terwijl er nauwelijks oudere waarnemingen bekend zijn. Ook uit het oosten van de Pyreneeën komen recente meldingen. In de aan Nederland grenzende delen van Duitsland geldt hij als ‘met uitsterven bedreigd’. In Zuid-Duitsland is de soort minder zeldzaam. Het huidige Belgische voorkomen is beperkt tot enkele vindplaatsen in de Hoge Venen en in de provincies Limburg en Luxemburg. Ook hier wordt de soort met uitsterven bedreigd. In het land Luxemburg is hij nooit gezien.

Verspreiding in Nederland

Met nog geen twintig waarnemingen is S.arctica één van de zeldzaamste libellen van Nederland. In 1963 werd bij Bleijenbeek een larve gevangen – dit is de enige waarneming van een larve in Nederland In hetzelfde jaar werden in de Mariapeel verscheidene imago’s waargenomen, wat mogelijk op voortplanting duidt (Kiauta 1964b). Op de Brunssummerheide is de soort sinds 1996 elk jaar meer dan eens gezien. Op 16 mei 1998 werd hij ontdekt in het Wooldsche Veen (pers. med. F. Bos & T. Wolterbeek) en in de Reuselse Moeren (pers. med. T. Faasen) (beide niet op kaart). In 1999 werden in beide gebieden verscheidene individuen aangetroffen (Crombaghs & Felix 2000, Verdaat & Heesterbeek 1999). Waarschijnlijk leeft in beide terreinen een populatie.

Alle overige waarnemingen – eenmalig en van een enkel individu – betreffen vermoedelijk zwervers, afkomstig van populaties in Duitsland of België. De meeste waarnemingen zijn gedaan in Midden- of Zuid-Nederland. De twee meldingen uit de Meinweg hebben waarschijnlijk betrekking op zwervers afkomstig van het ter hoogte van Swalmen gelegen Elmpter Bruch in Duitsland (Hermans 1992). Het meest markante voorbeeld van een zwerver is de waarneming bij West aan Zee (Terschelling). Op 20 augustus 1996 werd hier in de Peerkuil een vrouwtje uit het water opgeraapt. Ze leefde nog en had eieren aan haar achterlijf hangen (Kalkman 1996). 

Bron

Auteur(s)

Weide, M.J.T. van der

Publicatie