Overslaan en naar de inhoud gaan

Tweevlek Epitheca bimaculata

Foto: Christophe Brochard

Indeling

Corduliidae [familie]
Epitheca [genus] (1/0)
bimaculata [soort]

Eieren en larven

De eitjes worden vastgeplakt op allerlei water- en oeverplanten. Na de eiafzet zwelt de eiklont door aanraking met water tot een snoer van wel een halve meter lang en een halve tot een hele centimeter dik, bestaande uit 1500 tot 2000 eitjes. De larven leven tussen waterplanten en de wortels van oeverplanten op modderige bodems. Behalve om te overwinteren lijken ze zich niet vaak in te graven. Jonge larven leven in water van 30 tot 80 cm diep, oudere larven leven vermoedelijk op twee tot vier meter diepte. Bij visvijvers in Slovenië bleken de larven in staat een droogte van twee weken te overleven.

Uitsluipen gebeurt meestal op planten aan de waterkant, zoals gele lis (Irispseudacorus), gewone waterbies (Eleocharispalustris) en zeggen (Carex sp.), maar de vondst van een larvenhuidje op het dak van een boothuis geeft aan dat larven soms andere substraten gebruiken om op uit te sluipen. Dat de larven een grote afstand over land kunnen afleggen bleek uit de vondst van huidjes op 20 meter van het water, waarbij de larven een vier meter brede asfaltweg waren overgestoken. (Heidemann & Seidenbusch 1993, Jacquemin et al. 1985,
Kotarac 1997, Münchberg 1932a, Reder 1992, Robert 1958, Schiemenz 1953)

Imago’s

Waarschijnlijk brengt E.bimaculata de rijpingsfase door in bossen in de omgeving van de voortplantingsbiotoop. In Bialowieza (Polen) werden individuen jagend op anderhalf à twee meter hoogte langs bosranden aangetroffen (Kalkman & Dijkstra 2000). Doorgaans worden slechts enkele imago’s tegelijkertijd waargenomen. Geslachtsrijpe mannetjes patrouilleren over lange afstanden boven het water, gewoonlijk ver uit de oever. Alleen bij sterke wind blijven de mannetjes dichter bij de kant. Over de paring zijn geen details bekend. Voordat het vrouwtje de eitjes afzet, worden ze naar buiten geperst en tot een grote bal verenigd. Met deze bal aan het einde van het achterlijf vliegt het vrouwtje naar de plek waar hij wordt afgezet. Het mannetje is daarbij afwezig. (Coppa 1987, Trockur 1993)

Fenologie

De eieren komen na vier tot negen weken uit. De duur van de levenscysclus is twee of drie jaar. E.bimaculata heeft een erg korte vliegperiode, die in geheel Europa nagenoeg beperkt is tot mei en juni. In mei sluipen bijna alle individuen binnen enkele weken uit. Bij een populatie in het Saarland vond het uitsluipen in 1991 plaats tussen 15 en 28 mei, in 1992 tussen 11 en 19 mei. In Slovenië vliegt de soort van eind april tot midden juli. Bij tellingen van een populatie in het Saarland werden individuen waargenomen tussen 11 mei en 15 juni. In Bialowieza (Polen) werd de tweevlek in 1995 tussen 19 mei en 20 juni gezien. De enige Nederlandse waarneming is van 8 juni. (Kalkman & Dijkstra 2000, Kotarac 1997, Robert 1959, Schorr 1990, Trockur 1993)

Begeleidende soorten

In Slovenië zijn met name Erythrommanajas, Anaximperator en Corduliaaenea, maar ook Orthetrumcancellatum en Crocothemiserythraea karakteristieke begeleiders (Kotarac 1997).

Verbreidingsvermogen

De tweevlek staat niet bekend als een zwerver. In delen van zuidelijk Duitsland is de soort in de afgelopen 20 jaar na jarenlange afwezigheid weer opgedoken. De soort kan kennelijk toch nieuwe plaatsen koloniseren – drie van de wateren in Saarland waren slechts drie jaar oud op het moment dat ze gekoloniseerd werden (Trockur 1993).

Bron

Auteur(s)

Kalkman, V.J.

Publicatie