Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Bosbeekjuffer Calopteryx virgo

Foto: Marlies Bakker

Indeling

Calopteryx [genus] (2/2)
virgo [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op ondergedoken delen van drijvende waterplanten. De larven leven tussen wortels en takken in een uitgeholde oever. Wanneer deze ontbreken, kunnen larven ook tussen water- en oeverplanten leven, mits de structuur van de vegetatie niet te dicht is. Larven mijden delen van de beek die periodiek droogvallen (Heidemann & Seidenbusch 1993, Proess & Baden 1997). Ze zijn ‘s nachts actief en kruipen traag rond, ook over de bodem (Geijskes & Van Tol 1983). Het uitsluipen gebeurt op water- en oeverplanten. Soms klimmen de larven tientallen centimeters over een steile oever om bij een plant te komen.

Imago’s

Tijdens de rijpingsfase houden de imago’s zich op in ruigtes en bosschages in de buurt van de beek. De mannetjes zijn uitgesproken territoriaal en bezetten stukken oever van ongeveer vijf meter lang, langs zonnige beektrajecten met redelijk veel oeverplanten en drijvende waterplanten. Dit territorium wordt fel verdedigd tegen andere mannetjes. Een individu kan tot tien dagen achtereen hetzelfde territorium bezet houden (Brooks 1997, Heymer 1973). Baltsend probeert hij langsvliegende vrouwtjes te verleiden, waarbij hij zich soms op het wateroppervlak laat vallen en een klein eindje meedrijft. Voor de verwante Zuid-Europese soorten C.xanthostoma en C.haemorrhoidalis is aangetoond dat mannetjes die dit gedrag vertonen meer paringssucces hebben dan mannetjes die dit niet doen (Wingfield Gibbons & Pain 1992).

Na de paring lokt het mannetje het vrouwtje zijn territorium binnen, waarbij de rode stip aan de onderkant van zijn achterlijfspunt als ‘volglichtje’ dient (zie ook C.splendens). Het vrouwtje zet haar eieren af in het territorium van het mannetje, die indringers intussen fel verjaagd. Het mannetje kan in korte tijd met meerdere vrouwtjes paren, die dan tegelijkertijd in hetzelfde territorium eieren afzetten (Heymer 1973). Aan het einde van de dag verlaat het mannetje zijn territorium. Ze slapen in groepen in hoge, dichte vegetaties langs de oever en vlak daarbuiten. Ook tijdens regenachtig weer rusten de mannetjes gezamenlijk. Zo werd langs de Slinge in de Achterhoek tijdens regen een groep van 25 bosbeekjuffers onder een kardinaalsmuts (Euonymuseuropaeus) gevonden (pers. med. J. Rademaker).

Fenologie

Na zes tot negen weken komen de eieren uit, nog voor de winter (Robert 1959). De duur van de levenscyclus is twee jaar (Brooks 1997, Heidemann & Seidenbusch 1993), maar soms wordt de cyclus in één jaar voltooid (Sternberg & Buchwald 1999). Verse individuen zijn gezien tot begin juli met de piek in begin juni. De rijpingsfase duurt ongeveer tien dagen en de levensduur is gemiddeld 25 tot 30 dagen (Heymer 1973). De bosbeekjuffer is een voorzomersoort met een hoofdvliegtijd van begin juni tot midden juli. De enkele waarnemingen van voortplantingsactiviteit zijn gedaan tussen midden mei en begin augustus.

Verbreidingsvermogen

Uit een onderzoek met gemerkte bosbeekjuffers bleek dat de meeste dieren niet verder dan 200 m vlogen. Slechts 3% vloog verder dan 400 m (Stettmer 1996, Zahner 1960). Toch zijn ook zwervers bekend die grote afstanden hebben afgelegd, zoals de individuen die zijn gevangen op eilanden voor de kust van Schleswig-Holstein (Brock et al. 1997). Een in 1997 bij het Kootwijkerveen waargenomen mannetje betreft mogelijk een zwerver, aangezien speurwerk in 1999 geen
Veluwse populaties heeft opgeleverd (Raaijmakers 1998, pers. med. J. Wilbrink) (niet op kaart). Dit dier heeft waarschijnlijk meer dan 60 km afgelegd.

De larven zijn zeer plaatstrouw en bewegen slechts over korte afstanden. Larven die vrij in het water zweven proberen zo snel mogelijk de bodem van de beek te bereiken om zich daar aan iets vast te houden (Zahner 1959). Soms echter zal larvale ‘drift’ optreden, bijvoorbeeld wanneer de habitatkwaliteit te gering wordt of de populatiedichtheid te hoog (Stettmer 1996).

Bron

Auteur(s)

Ketelaar, R., Heeffer, J.

Publicatie