Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Azuurwaterjuffer Coenagrion puella

Foto: Sander Pieterse

Indeling

Coenagrion [genus] (8/6)
puella [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op vele soorten drijvende en ondergedoken waterplanten. De larven leven tussen planten en op de bodem (Robert 1959, Schorr 1990). Ze sluipen uit op drijvende vegetatie en oeverplanten. Vee langs de waterkant heeft een sterk negatief effect op het succes van het uitsluipen – begrazing verkleint het aantal geschikte uitsluipplaatsen aanzienlijk, waardoor larven een grotere kans hebben om ten prooi te vallen aan vogels (Thompson et al. 1985).

Imago’s

De verse imago’s verlaten het water direct na het uitsluipen en eventuele migratie treedt in deze levensfase op. Ze overnachten op verticale plantenstengels die zo breed zijn dat ze het lichaam verbergen, maar de ogen aan weerszijden zichtbaar laten. Hierdoor vallen ze voor predators minder op. De mannetjes zijn niet territoriaal, maar vertonen wel quasi-territoriaal gedrag, waarbij ze elkaar korte tijd achtervolgen zonder een vast territorium in stand te houden. Dit gedrag kan ertoe leiden dat mannetjes het water verlaten en het reguleert tot op zekere hoogte de dichtheid van individuen bij het water. De mannetjes overvallen zittende vrouwtjes en proberen een copulatie af te dwingen. Copulatie duurt hooguit een kwartier. De eieren worden in tandem afgezet, bij voorkeur op plaatsen waar ook andere tandems aanwezig zijn. Zowel groepsvorming als de karakteristieke verticale houding van het mannetje tijdens de eiafzet verkleinen de kans op predatie door kikkers aanzienlijk. Eiafzet vindt alleen plaats bij zonnig weer en de totale eiproductie houdt sterk verband met het aantal en de verdeling van de zonnige dagen. (Banks & Thompson 1990, 1997, Harvey & Walsh 1993, Van Noordwijk 1978, Thompson 1991, Martens 1994, Moore 1995, Rehfeldt 1991, Waringer 1982)

Fenologie

De eieren komen na 2-5 weken uit (Parr 1970, Robert 1959). Het laatste larvale stadium wordt in april of mei bereikt (Parr 1970). De levenscyclus duurt meestal één jaar, soms twee (Maibach & Meier 1987, Parr 1970). Vrouwtjes sluipen gemiddeld twee dagen vroeger uit dan mannetjes. Beide leven gemiddeld ongeveer 3 weken, soms wel anderhalve maand (Banks & Thompson 1985b). Pas uitgeslopen individuen worden waargenomen van begin mei tot midden augustus met de piek in eind mei en juni. De hoofdvliegtijd van deze voorzomersoort ligt tussen begin juni en midden juli. Voortplantingsactiviteit wordt waargenomen van midden mei tot midden september, met de piek in juni.

 

Verbreidingsvermogen

Coenagrionpuella is waarschijnlijk weinig mobiel. De mannetjes keren meestal terug naar het water waar ze zijn uitgeslopen, en geslachtsrijpe imago’s blijven hier de rest van hun leven (Banks & Thompson 1985a, 1985b, Van Noordwijk 1978).

Bron

Auteur(s)

Dingemanse, N.

Publicatie