Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Grote roodoogjuffer Erythromma najas

Foto: Kees Venneker

Indeling

Erythromma [genus] (3/3)
najas [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op submerse delen van waterplanten, zoals fonteinkruiden (Potamogeton sp.), gele plomp (Nupharlutea), vederkruid (Myriophyllum sp.), gedoornd hoornblad (Ceratophyllumdemersum), blaasjeskruid (Utricularia sp.), witte waterlelie (Nymphaeaalba) en draadalgen, en op dode rietstengels. Bij het Duitse Braunschweig werden de meeste eieren afgezet in de bloemstelen van gele plomp. Negentien procent van de eiclusters was hier geïnfecteerd met parasieten (Schorr 1990). Jonge larven blijven in de buurt van de drijvende waterplanten, maar latere stadia verplaatsen zich naar de oeverzone. Het uitsluipen gebeurt vaak in horizontale positie en vindt plaats in de rietzone of op waterplanten en flab (Krekels et al. 1986).

Imago’s

Drijvende waterplanten worden door het mannetje benut als zitplaats vanwaar hij korte, lage vluchten maakt. Vrouwtjes komen alleen bij het water om te paren en eieren af te zetten. Het mannetje benadert het vrouwtje met een dan-sende vlucht. Indien zij daarop niet wegvliegt paart hij met haar (Geijskes & Van Tol 1983). De eiafzet begint in tandem. Meestal houdt het mannetje zich net als het vrouwtje vast aan het substraat, in tegenstelling tot andere waterjuffers waarbij het mannetje overeind staat op het halsschild van het vrouwtje. Het vrouwtje daalt meestal samen met het mannetje onder water af. Als het lang duurt laat het mannetje los – zij kan soms wel een half uur onder blijven. Eiafzettende vrouwtjes zijn waargenomen op een diepte van 80 cm, maar het grootste deel (75%) van de eieren wordt op minder dan 20 cm diepte afgezet. Tijdens de eiafzet vormen zich vaak groepen tandems. Zo kunnen er wel zes tandems tegelijkertijd gebruikmaken van één bloemsteel van gele plomp. Het groepsgewijs en onder water afzetten van een groot aantal eieren in hetzelfde substraat zou bescherming kunnen bieden tegen predators en partnerzoekende mannetjes (Grunert 1995, Rehfeldt 1992). In aanwezigheid van watersnuffels (Enallagmacyathigerum) verloren de mannetjes van Erythrommanajas telkens de concurrentie om zitplaatsen op drijfbladeren (Winsland 1983).

Fenologie

De ontwikkeling van de eieren duurt minstens twee weken (Grunert 1995). De soort heeft gewoonlijk een tweejarige levenscyclus (Merritt et al. 1996), maar Sternberg & Buchwald (1999) noemen een eenjarige cyclus gebruikelijk; van de Nederlandse situatie zijn geen gegevens beschikbaar. Net als bij veel andere voorjaarsoorten sluipen de meeste individuen binnen een korte periode uit. Verse individuen zijn tot in midden augustus gevonden met een piek tussen midden mei en eind juni. De hoofdvliegtijd loopt van eind mei tot eind juni. Voortplantingsactiviteit is al in midden mei waargenomen, wat suggereert dat de maturatieperiode minder dan tien dagen in beslag neemt. Voortplantingsactiviteit is vastgesteld tot midden september, met de piek in juni en juli.

Verbreidingsvermogen

Vergeleken met de kleine roodoogjuffer lijkt het verbreidingsvermogen van de grote roodoogjuffer tamelijk matig – waarnemingen van lange-afstandzwervers ontbreken en de soort is nog nooit van de Waddeneilanden gemeld. Doordat hij vaak in vrij grote aantallen voorkomt en toch een tamelijk goede vlieger is, zullen nieuwe biotopen binnen het verspreidingsgebied makkelijk gekoloniseerd worden.

Bron

Auteur(s)

Weide, M.J.T. van der

Publicatie