Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Kleine roodoogjuffer Erythromma viridulum

Foto: Louis Westgeest

Indeling

Erythromma [genus] (3/3)
viridulum [soort]

Eieren en larven

Naast waterplanten met drijvende bladeren zoals witte waterlelie (Nymphaeaalba), gele plomp (Nupharlutea), kikkerbeet (Hydrocharismorsus-ranae) en watergentiaan (Nymphoidespeltata), worden ook ondergedoken planten voor de eiafzet gebruikt, zoals hoornblad (Ceratophyllum sp.), veder-kruid (Myriophyllum sp.), fonteinkruiden (Potamogeton sp.), waterpest (Elodea sp.) en draadalgen – en bij uitzondering ook oeverplanten zoals riet (Phragmites australis) en knolrus (Juncusbulbosus) (Burkart 1993, Hermans 1992). De larven leven tussen de ondergedoken vegetatie – zoals de sterk vertakte bladeren van gedoornd hoornblad (C.demersum) – waar ze beschut zijn tegen predatie door vissen. De larven tolereren zwak brak water en floreren bij warme zomers. Strenge winters zijn nadelig aangezien de watertemperatuur de overleving van de larven reguleert – in het oosten van Duitsland bleken strenge winters te leiden tot het verdwijnen van popu-laties (Stöckel 1987, Wasscher 1987). Het uitsluipen vindt vaak plaats op de drijvende bladeren van waterlelie en gele plomp (Schorr 1990).

Imago’s

Jonge imago’s verwijderen zich (soms ver) van het water. De nacht brengen de dieren door in gemengde groepen (Buchholz 1951). Het voortplantingsgedrag lijkt op dat van de grote roodoogjuffer. De mannetjes vliegen laag boven het water en ze gebruiken algenflab en drijvende bladeren om op te rusten. Ze komen weinig bij de oever. Meestal worden de eieren in tandem afgezet. Het mannetje klampt zich vast aan het substraat terwijl het vrouwtje onder de waterspiegel afdaalt.

Fenologie

De eieren komen waarschijnlijk na enige weken uit. De larven overwinteren bij ons vermoedelijk eenmaal, maar mogelijk soms tweemaal. In Zuid-Europa kan de cyclus binnen één zomer voltooid worden (Sternberg & Buchwald 1999). Verse individuen zijn gezien tot begin september. De hoofdvliegtijd van deze hoogzomersoort valt van eind juli tot midden augustus en de voortplantingsperiode van midden juli tot eind september.

Verbreidingsvermogen

Na 1980 heeft de soort zich verspreid over heel Nederland, daarmee blijkgevend van een uitstekend kolonisatievermogen. Drie jaar na de eerste melding van een Waddeneiland was de soort op alle eilanden te vinden.

Bron

Auteur(s)

Weide, M.J.T. van der

Publicatie