Overslaan en naar de inhoud gaan

Koraaljuffer Ceriagrion tenellum

Foto: Rob Smeenk

Indeling

Ceriagrion [genus] (1/1)
tenellum [soort]

Eieren en larven

De eieren worden vooral afgezet in verticale, uit het water stekende planten, zoals russen (Juncus sp.), biezen (Scirpus sp.), drijvend veenmos (Sphagnum) en duizendknoopfonteinkruid (Potamogetonpolygonifolius) (Robert 1959, Krüner 1986). De larven zijn vooral in dichte watervegetatie en veenmos aan te treffen, bij voorkeur vlak onder de waterspiegel, maar ook op de bodem tussen plantenresten en wortels (Dreyer 1986, Heidemann & Seidenbusch 1993). De larven hebben milde winters nodig om te overleven. In juli is een gemiddelde temperatuur tussen de 15 en 18˚C optimaal. Het veenmos waar de larven in overwinteren mag niet bevriezen. Mogelijk verklaart dit de voorkeur voor wateren die gevoed worden door kwel: deze hebben ’s winters vaak een relatief hoge temperatuur (Jansen 1989, Krüner 1989, Schorr 1990). Uitsluipen vindt onder andere plaats op russen (Juncus sp.), zeggen (Carex sp.) en lisdodde (Typha sp.), en op de stammen van zwarte els (Alnusglutinosa) en gagel (Myrica gale). De meeste larvenhuidjes zitten op plaatsen met een zuidelijke expositie.

Imago’s

De volwassen dieren verwijderen zich niet ver van het voortplantingswater (Parr & Parr 1979). Mannetjes gedragen zich enigszins agressief tegen elkaar, maar toch komen dichtheden voor tot 150 individuen per 100 m. De paring duurt ongeveer drie kwartier, maar soms wel anderhalf uur (Merritt et al. 1996). Vijf tot tien minuten na de paring worden de eitjes in tandem afgezet. Het mannetje zit hierbij op een plantenstengel of staat op het halsschild van het vrouwtje. De tandem blijft ongeveer tien minuten op één plaats zitten en er worden in die tijd ongeveer 30 eieren afgezet, waarna ze een andere locatie opzoeken (Robert 1959).

Fenologie

In Groot-Brittannië neemt de levenscyclus twee jaar in beslag. Zuidelijker kan de levenscyclus eenjarig zijn, zoals doorgaans in Zuid-Duitsland. De eieren komen na ongeveer een maand uit. Overwintering gebeurt meestal in het voorlaatste larvale stadium, zelden in het laatste. In Nederland overwinteren de larven waarschijnlijk eenmaal en de eerste individuen sluipen uit vanaf eind mei. Verse individuen zijn tot midden augustus aangetroffen. Voortplantingsactiviteit van deze hoogzomersoort is waargenomen van eind juni tot begin september. (Corbet 1957b, Dreyer 1986, Sternberg & Buchwald 1999)

Verbreidingsvermogen

De koraaljuffer is een slechte vlieger en er zijn weinig waarnemingen van zwervers bekend. De soort lijkt beperkt in staat om nieuwe gebieden te koloniseren.

Bron

Auteur(s)

Abbingh, G.

Publicatie