Overslaan en naar de inhoud gaan

Lantaarntje Ischnura elegans

Foto: Gerard Blokhuis

Indeling

Ischnura [genus] (2/2)
elegans [soort]

Eieren en larven

De eiafzet vindt meestal plaats in drijvende delen van levende waterplanten, zelden in ondergedoken delen (Jurzitza 1986). De larven houden zich vooral op tussen waterplanten en op de bodem, maar zijn ook te vinden tussen plantenresten, dood hout, draadalgen en op de onderzijde van drijvende bladeren (Heidemann & Seidenbusch 1993). Ze voeden zich met allerlei ongewervelde dieren, onder andere juffer-, vliegen- en keverlarven, zonder een duidelijke voorkeur. In aanwezigheid van predators, zoals vissen of bootsmannetjes (Notonecta sp.), fourageren de larven minder actief waardoor ze minder hard groeien (Gribbin & Thompson 1990a, Heads 1985, 1986, Thompson 1978). Het uitsluipen gebeurt op allerlei substraten, tot op 30 cm hoogte. Opvallend is dat ze ook ondersteboven kunnen uitsluipen – Mackenzie Dodds (1992) vond maar liefst de helft van de exuviae met de kop omlaag.

Imago’s

In tegenstelling tot andere juffersoorten blijven zowel de pas uitgekomen individuen als de geslachtsrijpe imago’s dichtbij de waterkant. Hun activiteit wordt weinig beïnvloed door de weersomstandigheden; het lantaarntje is ook actief bij bewolkt of koud weer (Parr 1970). Volwassen mannetjes overnachten soms met duizenden bijeen tussen de stengels van dichte oevervegetaties, zoals biezen en zeggen (Askew 1982, Dumont 1971, Robert 1958). Vergeleken met andere waterjuffers duurt de copulatie ongewoon lang: gemiddeld meer dan vijf en soms wel acht uur. Tijdens de paring verwijdert het mannetje al het sperma van zijn eventuele voorgangers (Krieger & Krieger-Loibl 1958, Miller 1987a, 1987b). De paring vindt meestal, maar niet uitsluitend, bij het water plaats. De eieren worden zonder begeleiding van het mannetje afgezet. Meestal gebeurt dit aan het eind van de middag, mogelijk om zo competitie met andere soorten en verstoring door mannetjes te vermijden (Van Noordwijk 1978).

Fenologie

De eieren komen kort na het afzetten uit. In Nederland wordt de levenscyclus in de regel in één jaar doorlopen. De larven overwinteren dan éénmaal. Soms kan zich binnen drie maanden een tweede generatie ontwikkelen, zonder dat de larven overwinteren (Dumont & Dumont 1969, Inden-Lohmar 1997, Parr 1973). Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook in Nederland voorkomt. De verschillen in ontwikkelingssnelheid hangen samen met de gemiddelde temperatuur gedurende het groeiseizoen – rond de Middellandse Zee komen zelfs drie generaties per jaar voor (Aguesse 1961, Parr 1969, 1970). Het uitsluipen vindt over een lange periode plaats. De laatste verse individuen zijn eind september waargenomen. Imago’s zijn binnen een week geslachtrijp, vaak al na drie of vier dagen (Inden-Lohmar 1997). Het lantaarntje is een echte zomersoort met een zeer lange vliegtijd, van eind april tot eind oktober. De piek duurt van midden juni tot en met begin augustus.Voortplantingsactiviteit is vastgesteld van eind april tot midden oktober. Lantaarntjes leven maar kort. Cooper et al. (1996) vonden een gemiddelde levensduur van vijf dagen voor mannetjes en elf voor vrouwtjes. Eén vrouwtje werd vijf weken oud.

Verbreidingsvermogen

Het lantaarntje is zwerflustig, komt bijna overal algemeen voor, en stelt weinig eisen aan de biotoop. Daardoor is deze soort vaak één van de eerste die nieuwe biotopen koloniseren. Moore (1991) beschrijft bijvoorbeeld hoe een serie nieuwgegraven vijvers binnen één jaar gekoloniseerd werd. Het lantaarntje kan grote afstanden afleggen; hij werd bijvoorbeeld aangetroffen op het eiland Griend.

Bron

Auteur(s)

Dingemanse, N., Mostert, K.

Publicatie