Overslaan en naar de inhoud gaan

Lantaarntje Ischnura elegans

Foto: Gerard Blokhuis

Indeling

Ischnura [genus] (2/2)
elegans [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

Trend

Trend gehele periode: Sterke afname
Trend laatste 10 jaar: Sterke afname

Bron: Vlinderstichting, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

 

Areaal

Ischnuraelegans is wijdverspreid in Europa, het Midden-Oosten, de voormalige Sovjet-Unie en Azië tot in Japan. Een Algerijnse populatie, die vroeger als aparte soort werd beschouwd, is de enige bekende populatie in Noord-Afrika. Het verspreidingsgebied strekt zich uit over het gehele Europese continent van de Middellandse Zee in het zuiden tot halverwege Scandinavië in het noorden. De soort komt lokaal voor in de noordelijke helft van het Iberisch schiereiland (waar hij verder vervangen wordt door de nauw verwante I.graellsi) en is geheel afwezig op Corsica, Sardinië (vervangen door I.genei), Malta en IJsland. In West- en Midden-Europa, bijvoorbeeld in Engeland, Duitsland, Frankrijk en de Benelux, is I.elegans veelal de algemeenste libel.

Verspreiding in Nederland

Het lantaarntje is van bijna ieder uurhok bekend en daarmee de meest algemene en talrijke libel van Nederland. Voortplanting is in heel Nederland waargenomen, inclusief Zeeland en de Waddeneilanden. Mogelijk ontbreekt de soort in enkele kilometerhokken op de Veluwe, waar bijna geen oppervlaktewater is. Toch bestaan er grote verschillen in dichtheid per regio. Het lantaarntje is vooral zeer talrijk in laaggelegen terrein, zoals het Rivierengebied en de laagveengebieden van Overijssel, Friesland, Noord- en Zuid-Holland. Op de hoge zandgronden, met name bij zure vennen en hoogveengebieden in gebieden in Midden-Drenthe en de Veluwe is het lantaarntje opmerkelijk schaars (Beukeboom 1985, Claessens 1989, Wasscher 1992). Ook van de Zeeuwse eilanden en de zeekleigebieden van Noord-Nederland zijn relatief weinig waarnemingen bekend.

Het aantal hokken met waarnemingen van voor 1950 is relatief klein, wat veroorzaakt wordt door het verzamelgedrag van de entomologen van voor 1950: algemene soorten zoals I.elegans en Lestessponsa werden maar weinig verzameld. In de periode 1990-1997 speelt een soortgelijk waarnemerseffect: bij systematische tellingen in Zuid-Holland had ruim 75% van alle libellenwaarnemingen betrekking op het lantaarntje, maar volgens de op formulieren ingediende waarnemingen uit dezelfde provincie was dit slechts 20%. Waarschijnlijk zijn de dichtheden in de afgelopen decennia afgenomen, het verspreidingsbeeld is echter nauwelijks veranderd (Wasscher & Van Tol 1993).

Bron

Auteur(s)

Mostert, K., Dingemanse, N.

Publicatie