Overslaan en naar de inhoud gaan

Zoemertje Stenobothrus lineatus

Foto: Tjerk Nawijn

Indeling

Acrididae [familie]
Stenobothrus [genus] (3/2)
lineatus [soort]

Cyclus

De eieren worden in pakketten van drie tot acht stuks (gemiddeld zes) op of in een bodem met een vrij dichte bedekking van grassen gelegd. De eipakketten worden bedekt met stukjes plantenmateriaal en in de bovenste bodemlaag gelegd, net boven de wortels van grassen of in plantenmateriaal op de bodem, nooit diep in de grond. Na het uitkomen van de eieren in het jaar daarna, doorlopen de nymfen nog vier stadia tot ze volwassen zijn (Ramsay 1964, Richards & Waloff 1954, Waloff 1950, WVW).

Imago’s worden in Nederland aangetroffen vanaf eind juni tot midden september, met enkele late waarnemingen tot het eind van oktober.

Voedsel

Slineatus is herbivoor. Door keuzeproeven werd bepaald dat de soort een grote variatie aan grassen en cypergrassen eet en geen kruiden. In Engeland werd echter onder natuur­lijke omstandigheden wel vraat aan kruiden waargenomen (Clark 1947, Kaufmann 1965).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

Duijm & Kruseman (1983) vermelden dat de soort goed kan vliegen, maar dit wordt niet door veldwaarnemingen of literatuur bevestigd.

Begeleidende soorten

Het zoemertje komt veel samen voor met Omocestus viridulus, Stenobothrus stigmaticus, Chorthippus brunneus, C. parallelus, C. biguttulus, C. mollis, Myrmeleotettix maculatus en Metrioptera brachyptera.

Zang

De roepzang bestaat uit een lang ‘zilverig’ hoog ruisend geluid van 10-25 s. Het is te vergelijken met een ruisend rietveld. Van dichtbij heeft het ruisen een ietwat ‘zeurend’ ritme. De pootbeweging is uitzonderlijk traag, de poten gaan ongeveer één keer per s op en neer. Vrouwtjes zingen soms ook. De soort kent naast de roepzang een uitgebreide baltszang, waarbij naast het ruisen van de roepzang ook een zacht raspend en lang aangehouden ‘zi.zi.zi.­zi.zi...’ te horen is. De zang is waarschijnlijk alleen overdag te horen.

Het raspende deel van de balts lijkt wat op de zang van andere soorten, o.a. van Chorthippus vagans.

Roepzang

De roepzang is een lang ‘zilverig’ hoog ruisend echeme van 10-25 s bestaande uit 15-35 syllaben. De regelmatige wisselingen in de geluidssterkte houden verband met de bewegingen van de poten. Deze worden bijna synchroon op en neer bewogen met een tempo van ca. 0,7-1,5 syllabe per s. Beide bewegingsrichtingen produceren geluid. Dat zo’n lang­zame beweging toch een dergelijke hoog ruisende klank (zie onder frequenties) veroorzaakt houdt verband met het grote aantal tandjes op de achterdij en de hoge dichtheid, waarin deze tandjes staan; deze zijn beiden het hoogst van alle Europese veldsprinkhanen (Duijm & Kruseman 1983, Elsner 1974, Jacobs 1953, Ragge 1987a, Waeber 1989, Bo).

Het vrouwtje kan antwoorden met een echeme, dat meer trillend/fladderend klinkt dan de roep van het mannetje. Ze beweegt de achterpoten daarbij net zo langzaam. In het begin van een echeme zijn de stridulatiebewegingen geluidloos. Pas als de neergaande beweging trillend wordt uitgevoerd klinkt het geluid (Harz 1957b, Waeber 1989).

Rivaliseergeluid

Er zijn geen specifieke rivaliseergeluiden, wel geluiden die aan storing worden toegewezen.

Baltszang

Bij het baltsen zijn twee fasen te onderscheiden. Tijdens de eerste fase wordt een zacht raspend en lang, vaak minuten vrijwel ononderbroken, aangehouden ‘zi.zi.zi.zi.zi...’ voortgebracht met een tempo van 5-7 syllaben per s door het bewegen van eerst één en na een tijdje twee achterpoten. Tijdens de tweede fase klinkt een lange versie van het ruisende echeme van de roepzang. Dit echeme wordt enkele tot vele malen afgewisseld met periodes van 15-20 s waarbinnen de syllaben van de eerste fase afwisselend door beide poten voortgebracht. Aan het einde van deze fase zijn in het ruisende echeme onregelmatig korte, felle (‘zi’) syllaben ingelast. Vlak voor het bespringen van een vrouwtje klinkt vaak een korte serie van deze losse syllaben (Elsner 1974, Ragge 1987a).

De eerste fase lijkt qua tempo een beetje op de roep van Omo­cestus viridulus of Chorthippus vagans of zelfs Metrioptera brachyptera, maar klinkt zachter en wordt meestal veel langer aangehouden.

Overige geluiden

Het storingsgeluid van het mannetje is een korte (tot 1 seconde) zachte, maar helder krassende syllabe (‘sirr’), voortgebracht bij het langzaam trillend naar beneden bewegen van een achterpoot. Direct hieraan voorafgaand wordt deze achterdij snel en geluidloos loodrecht omhoog gezet. Tevens kunnen ook korte ‘zi’-klanken worden geuit bij een snelle op- en neergaande beweging. Bij het neerkomen na een vluchtsprong klinken vaak korte ritselgeluiden die mogelijk veroorzaakt worden door het naar de ruststand bewegen van de achterpoten, klaar om weer weg te springen (Faber 1953, Jacobs 1953, Bo, Rk).

Frequenties

Een brede piek bij 17-25 kHz (Waeber 1989). Met name bij de balts zit er nogal wat variatie in de klankkleur, met meer hogere (ultrasone) frequenties in de luidste delen van de syllabe.

Bron

Auteur(s)

Wingerden, W.K.R.E. van, Willemse, L.P.M., Odé, B., Nieukerken, E.J. van, Kleukers, R.M.J.C.

Publicatie