Overslaan en naar de inhoud gaan

Kustsprinkhaan Chorthippus albomarginatus

Foto: Jur Heijnen

Indeling

Acrididae [familie]
Chorthippus [genus] (8/7)

Cyclus

De eipakketten bevatten drie tot tien eieren (gemiddeld zes) en worden bovengronds gelegd, meestal aan de basis van graspollen, tussen dode grasbladeren of mosplanten. De eieren komen na één winter uit, waarna de nymfen nog vier of vijf stadia doorlopen (Lensink 1962, Ramsay 1964, Richards & Waloff 1954, Waloff 1950).

De imago’s worden vooral aangetroffen van eind juni tot midden september. De eerste waarnemingen dateren van begin juni, de laatste van eind oktober.

Voedsel

C. albomarginatus is herbivoor. In Engeland werd onder natuurlijke omstandigheden vastgesteld dat voornamelijk gras­sen worden gegeten en incidenteel kruiden. De soort veroorzaakte schade in graangewassen en hooiland in West-Siberië en weilanden in Kaliningrad (Bej-Bienko & Mishchenko 1964, Clark 1947, Tsyplenkov 1978).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

Over het vlieg- en verbreidingsvermogen is geen informatie beschikbaar.

Begeleidende soorten

C. albomarginatus komt het meest samen voor met C. brunneus, minder met C. parallelus en C. biguttulus. In het agrarisch gebied van Friesland en Zuid- en Noord-Holland zijn C. albomarginatus en C. brunneus vaak de enige vertegenwoordigers van de Orthoptera. In het binnenland komt de soort vaak samen voor met soorten van vochtigere biotopen: onder andere Omocestusviridulus (Noord-Nederland), Conocephalusdorsalis en Tetrixundulata.

Het feit dat het verspreidingsbeeld van de systematisch en oecologisch verwante soort C. parallelus min of meer complementair is aan dat van C. albomarginatus zou er op kunnen duiden dat er sprake is van concurrentie tussen deze twee soorten. De verspreiding van C. albomarginatus in Ne­der­land lijkt hier ook op te wijzen. De soort is erg algemeen in Noord- en West-Nederland en in de rest van het land schaars. Het vrij noordelijke voorkomen in Scandinavië en het voorkomen in Ierland doet vermoeden dat C. albomarginatus snel na de laatste ijstijd naar het noordwesten is gemigreerd. Het is mogelijk dat de soort 5000 jaar geleden zeer algemeen was in heel Nederland, maar later in het zuiden en oosten verdrongen werd toen C. parallelus ons land binnenkwam. Om te onderzoeken of geringe concurrentiekracht een rol speelt bij het voorkomen van deze soort zouden de gevolgen van de opmars van Chorthippusparallelus in Flevoland en Noord-Holland moeten worden gevolgd. Omdat C. albomarginatus in Noordwest-Overijssel en Twente beperkt is tot plaatsen waar C. montanus ontbreekt, is er mogelijk ook sprake van concurrentie tussen deze twee soorten.

Zang

De roepzang is een kort snorrend ‘prrrrrrrsj’ van 0,5-0,75 s, dat 2-5 keer wordt herhaald met intervallen van 2-4 s, zodat een kleine serie ontstaat. Na zo’n serie wordt een langere pauze aangehouden. Het vrouwtje kan antwoorden op de roepzang van het mannetje. De baltszang is uitgebreid en wordt langdurig voorgedragen. Het vormt een ritmisch geheel, waarin de klank van de roepzang terugkomt. Het korte rivaliseergeluid (‘krr’) is zelden te horen. De zang is vooral overdag te horen, maar op warme avonden ook tot 22 uur. Verwarring is mogelijk met de kortere en sneller her­haalde tsjirpjes van Chorthippus brunneus. Na enige oefening is te horen dat het geluid van Chorthippus albomarginatus een wat andere klankkleur heeft en dat het iets abrupter begint.

Roepzang

De roepzang is een kort snorrend echeme van 0,5-0,75 s, dat 2-5 keer wordt herhaald met intervallen van 2-4 s, zodat een kleine serie ontstaat. Na zo’n serie wordt een pauze van minimaal ca. 1 minuut aangehouden. Het echeme bestaat uit 22-24 syllaben. De achterpoten bewegen daarbij tegengesteld. Zowel de op- als neergaande bewegingen geven geluid, waardoor in het oscillogram 40-44 geluidspieken te onderscheiden zijn. De eerste syllabe (‘p’) is meestal krachtig en in de klank van het echeme te onderscheiden. Het echeme eindigt meestal niet abrupt (O. von Helversen 1986, BO). Mannetjes beantwoorden de roep van een ander mannetje vaak door zelf te roepen (Jacobs 1953). Het vrouwtje antwoordt met een echeme, dat lijkt op dat van het mannetje.

Rivaliseergeluid

Het rivaliseergeluid is een kort ‘krr’, veroorzaakt door een snelle pootbeweging. Het is zelden te horen (Jacobs 1953).

Baltszang

Bij de balts zijn verschillende elementen in de zang te onderscheiden, die elkaar opvolgen en die zijn samengesmeed tot een langdurig geheel. Hieronder volgt een opsomming van de elementen.

element 1: Een tot 1 s lang echeme veroorzaakt door relatief trage, synchrone pootbewegingen bij een lage stand van de achterpoten. Dit klinkt regelmatig tikkend, met op de achtergrond een vrijwel ononderbroken ruisen (‘ststst...’). Iedere syllabe bestaat uit het geleidelijke opgaande (ruis) en een zeer snelle neergaande (tik-)beweging. Het tempo is 15-25 syllaben/s.

element 2: Dit echeme is 0,5 s lang en wordt geproduceerd bij snelle synchrone pootbewegingen bij een hoge stand van de achterpoten. Het geluid lijkt een beetje op dat van de roepzang (‘rrrrr...’). In de latere fasen van de balts bestaat het echeme uit ca. 30 syllaben met een tempo van 40-70 syllaben/s. Duidelijk zijn twee halfsyllaben te onderscheiden.

element 3: Een snelle synchrone neergaande pootbeweging, die klinkt als een scherp ‘tk’. Deze ‘tk’ is te horen op de abrupte overgang van element 2 naar element 1 en in kleine series bij het begin van de balts.

element 4: Een tot 1,5 s lange echemereeks die altijd volgt op element 2 en is opgebouwd uit diverse ingewikkelde pootbewegingen bij een overwegend zeer hoge stand van de achterpoten. Binnen deze echemereeks worden de achterpoten eerst snel gelijktijdig omhoog en voor een korte periode snel tegengesteld bewogen. Direct daarop volgen snelle en ingewikkelde bewegingen, waarbij de achterpoten afwisselend tjilpende tikjes produceren met een tempo van 16-24 tikjes/s (door beide poten te zamen).

De balts is over het algemeen als volgt opgebouwd:

Als eerste is een herhaling van korte, zachte geluidjes (element 3) te horen (‘tk....tk....tk....’). Op iedere ‘tk’ volgt al vrij snel een kort element 1 en een kort element 2. Zo ontstaat de langdurige opeenvolging ‘tk-ststst-rrrrrr-tk-ststst-rrrr...’. In de loop van de balts neemt binnen deze opeenvolging de duur van de herhaalde elementen 1+2 verder toe. Bij volle ontwikkeling van de balts wordt steeds na een vrij constant (3-9) aantal van de opeenvolging van de eerste drie elementen ‘tk-stststststststst-rrrrrrrrrrrrrr’ element 4 ten gehore gebracht. Meestal is het laatste element 1 voorafgaand aan element 4 voor ca. 0,5 s onderbroken (‘ststst...stst’). Daardoor is het tempo waarmee element 2 te horen is constant, met uitzondering van de laatste keer voordat element 4 te horen is. Bespringgeluiden klinken uiteindelijk na een kort element 1 volgend op element 4. Ze klinken hoog trillend (‘zizizizi’). Bij een mislukte copulatiepoging begint het baltsen meestal vrij snel weer opnieuw. In het veld is van de balts vooral element 2 te horen. Door de regelmaat doet de balts soms wat denken aan de roepzang van Myrmeleotettix maculatus, hoewel met een lager tempo, minder aanzwellend en zeer langdurig voorgedragen. Bovendien is element 2 steeds in groepjes van 3-9 te horen, met ertussen een pauze (waarbinnen element 4) (Faber 1953, O. von Helversen 1986, Perdeck 1951, BO).

Frequenties

Een breed spectrum aan frequenties: 7-15 kHz. Ultrasone frequenties zijn vermoedelijk van minder belang.

Bron

Auteur(s)

Kleukers, R.M.J.C., Nieukerken, E.J. van, Odé, B., Willemse, L.P.M., Wingerden, W.K.R.E. van

Publicatie