Overslaan en naar de inhoud gaan

Zompsprinkhaan Pseudochorthippus montanus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Acrididae [familie]
Pseudochorthippus [genus] (2/2)
montanus [soort]

Cyclus

De eieren worden in pakketten van drie tot twaalf stuks (gemiddeld zes) gelegd, meestal in de grond, soms aan de basis van grassen. In het daaropvolgende voorjaar komen de nymfen uit het ei en vervellen dan nog vier maal tot aan het volwassen stadium (Harz 1957a, Detzel 1991).

De meeste imago’s worden gevonden tussen eind juni en begin oktober, met enkele vroege waarnemingen in begin juni en late waarnemingen tot ver in oktober.

Voedsel

Cmontanus is herbivoor. De soort eet vooral pijpestrootje, riet, russen en zeggen. In het zuidoosten van de voormalige Sovjet-Unie heeft de soort in hooiland aanzienlijke schade berokkend (Bej-Bienko & Mishchenko 1964, Kaufmann 1965).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

Doordat de dieren kortgevleugeld zijn, kunnen ze niet vliegen. Waarschijnlijk zijn langvleugelige exemplaren hiertoe wel in staat.

Begeleidende soorten

In hoogveengebieden en in blauwgraslanden komt de soort samen voor met Stethophyma grossumOmocestus rufipes (Zuid-Nederland), Oviridulus (Noord-Nederland), Metrioptera brachypteraConocephalus dorsalis en Chorthippus brunneus. In laagveengebieden worden gemeenschappen met C. montanus getypeerd door de aanwezigheid van soorten als Chrysochraon disparConocephalus dorsalis en in mindere mate Omocestus viridulusSgrossum en Tetrixundulata. In Nederland komt Cmontanus opvallend weinig samen met Sgrossum voor. Ook bij Celle (Noord-Duitsland) werden de soorten slechts op 6 van de 42 vindplaatsen samen aangetroffen (Lorz & Clausnitzer 1988). De eieren van Sgrossum behoeven meer vocht dan de eieren van Cmontanus en zijn bovendien bestand tegen een langere periode van overstroming (Ingrisch 1983 B, C). Hierdoor kan Sgrossum wel op plaatsen voorkomen die ’s winters onder water staan en Cmontanus niet. Het lijkt erop dat in Twente en de Achter­hoek ook C. montanus en C. parallelus elkaar min of meer uitsluiten. Op sommige graslanden waar C. montanus in zeer grote aantallen optreedt, komen vrijwel geen andere sprinkhanen voor. Dit werd o.a. waargenomen in het Korenburgerveen en bij Springendal (Evn).

Zang

De roep is een grof krassend ‘srrrè-srrrè-srrrè...’ van 2,7-4,5 s, waarvan in het begin de geluidssterkte opvallend toeneemt en dat meestal bestaat uit 13-20 ‘srrrè’-geluiden. De roep wordt in los verband iedere 5-14 s herhaald. Baltszang en rivaliseergeluid lijken op de roepzang. De zang van deze soort is overdag te horen en op warme avonden tot na zons­ondergang (Faber 1929, Groenendijk & Groenendijk 1992).

De roepzang lijkt op die van Chorthippus parallelus, maar klinkt iets luider en grover en de pootbeweging is trager.

Roepzang

De roep is een grof krassend echeme van 2,7-4,5 s, waarvan in het begin de geluidssterkte opvallend toeneemt en dat in los verband iedere 5-14 s wordt herhaald. Het echeme bestaat meestal uit 13-20 syllaben. De eerste pootbewegingen zijn meestal geluidloos. De poten bewegen synchroon met een tempo rond 4,5-6 syllaben/s, waarbij vooral het naar be­neden bewegen geluid geeft. Bij de neergaande beweging maken de achterpoten een onderbroken beweging, welke zichtbaar is bij lage temperaturen. Daardoor ontstaat in het laatste deel van iedere syllabe een opvallend duidelijke afwisseling van 5-6 geluidsstoten, ieder van 5-7 ms, en even zo vele hiaten, ieder 5-6 ms lang. Bij koel weer of ’s avonds is het echeme langer en trager met ca. 2 syllaben/s (Faber 1929, Jacobs 1953, O. & D. Von Helversen 1994, Reynolds 1980, Bo, Md). Bij een afstand van 30-60 cm tussen twee roepende man­netjes gaan de mannetjes elkaar vaak antwoorden met iets kortere echemes van de roepzang. Bij verkleining van die afstand gaan de dieren langzaam over op rivaliseergeluiden.

Het antwoord van een vrouwtje is vaak goed te horen. Het bestaat uit een zeer wisselend aantal syllaben (1-15) en is vaak langzamer dan de roep van het mannetje (2-3 syllaben/s). Een roepend mannetje wordt door een vrouwtje nog op 1,2 m gehoord.

Bij gelijke temperatuur is een echeme van C. montanus langer en de pootbeweging trager. Het klinkt iets luider en grover dan dat van Chorthippus parallelus, meer trillend.

Rivaliseergeluid

Het rivaliseergeluid is 1-1,5 s lang met (3-)7-10 syllaben. De poten bewegen synchroon (vgl. C. parallelus), maar sneller. Het geeft een helder, meer tikkend geluid, dat vaak vanaf de eerste syllabe al de maximale geluidssterkte heeft. Bij zeer kleine afstanden tussen mannetjes worden vrij zachte, ca. 0,8 s lange storingsgeluiden voortgebracht.

Baltszang

Een baltszang is niet duidelijk aanwezig. Bij het baltsen klinkt een echeme, dat erg lijkt op het echeme van de roepzang. Dit echeme is evenwel zachter en wordt iedere 5-7 s voortgebracht. Vlak voor het uiten van een dergelijk echeme zwenkt het mannetje over zijn lengte-as heen en weer. Vlak voor het bespringen van het vrouwtje klinkt een grof ‘dschrèt’ van ca. 180 ms door het eenmaal op en neer bewegen van de achterpoten. Dit geluid wordt vaak voorafgegaan door een (‘tsji’) of enkele losse (‘tsji...tsji’) syllaben en een korte stilte (Jacobs 1953, Bo).

Overige geluiden

Bij het begin van de copulatie kan het mannetje de achterpoten naar achteren strekken, waarbij ze een kort ritselend geluid voortbrengen. Een storingsgeluid werd al genoemd bij het rivaliseergeluid (Faber 1929).

Frequenties

Een breed spectrum aan frequenties: 5-14 kHz. Ultrasone frequenties zijn vermoedelijk van minder belang.

Bron

Auteur(s)

Wingerden, W.K.R.E. van, Nieukerken, E.J. van, Odé, B., Willemse, L.P.M., Kleukers, R.M.J.C.

Publicatie