Overslaan en naar de inhoud gaan

Zompsprinkhaan Pseudochorthippus montanus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Acrididae [familie]
Pseudochorthippus [genus] (2/2)
montanus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieDe Nederlandse sprinkhanen en krekels (Orthoptera)
ExpertKleukers, R.M.J.C. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

Areaal

C. montanus heeft een groot verspreidingsgebied dat reikt van West-Europa tot in Noordoost-China en Kamtsjatka. In Europa komt de soort voor tussen 45° en 65° noorderbreedte. In de aan Nederland grenzende gebieden komt C. montanus verbreid voor, maar ontbreekt ook op veel plaatsen.

Voorkomen in Nederland

Voor 1980

C. montanus werd voor het eerst van Nederland gemeld door C. Willemse (1920). Vroeger was slechts een beperkt aantal vindplaatsen bekend van Noordwest-Overijssel, Drenthe, Twente, het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, de Achterhoek, Noord-Limburg, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. De vindplaats in Zeeland (Yerseke, 9.ix.1971, bl, coll. zman) is opmerkelijk, maar evenals die van Omocestus viridulus niet onmogelijk, omdat in de omgeving van Yerseke nog fraaie vochtige graslanden aanwezig zijn, met zoete enclaves in overwegend brak gebied (Bva, Bk).

Vanaf 1980

C. montanus komt lokaal voor. De soort wordt met name aangetroffen in een drietal kerngebieden in het oosten van het land: Noordwest-Overijssel (Wieden), Noordoost-Twente en de oostelijke Achterhoek. Elders zijn de populaties vaak zeer klein en versnipperd. De soort is bekend van twee vindplaatsen ten westen van Oosterwolde (Friesland) en een aantal plaatsen in Drenthe en Overijssel buiten de genoemde kerngebieden. In Gelderland zijn buiten de Achterhoek nog slechts drie kleine populaties bekend: op de Empese en Tondense Heide, de Bruuk bij Groesbeek en de Bennekomse Meent; de populaties op de Veluwe lijken verdwenen te zijn. In Utrecht resteert alleen de pas ontdekte populatie aan de Demmerikse Kade in het veenweidegebied (Groenendijk & Groenendijk 1992). In Noord-Brabant werd de soort vooral veel aangetroffen in de Peelstreek en daarnaast op een aantal verspreid liggende vindplaatsen. In Limburg is C. montanus verdwenen uit de mijnstreek en van Plasmolen en is nu alleen nog bekend van de Swolgenderheide, Groote Peel, Meinweg en omgeving van Weert.

C. montanus is in Midden-Nederland en in Zuid-Limburg sterk achteruitgegaan, terwijl in het oosten en Noord-Brabant juist uitbreiding lijkt te hebben plaatsgevonden. Omdat schrale, vochtige vegetaties in de loop van deze eeuw sterk in oppervlak en kwaliteit achteruit zijn gegaan, is de toename van gegevens in deze gebieden echter zeer waarschijnlijk terug te voeren op de toegenomen inventarisatie-inspanning in deze biotopen. De langvleugelige vorm werd in Nederland in klein aantal aangetroffen, vooral in het noorden. Omdat C. montanus vrij moeilijk te inventariseren is, is het verspreidingsbeeld mogelijk nog onvolledig.

Update (10-8-2015) In de afgelopen jaren werden diverse nieuwe populaties gevonden in het Hollandse veenweidegebied en Friesland. Deze zijn waarschijnlijk altijd over het hoofd gezien (Bakker et al. 2015).

Bron

Auteur(s)

Wingerden, W.K.R.E. van, Willemse, L.P.M., Odé, B., Kleukers, R.M.J.C., Nieukerken, E.J. van

Publicatie