Overslaan en naar de inhoud gaan

Snortikker Chorthippus mollis

Foto: Susanne Kuijpers

Indeling

Acrididae [familie]
Chorthippus [genus] (8/7)
mollis [soort]

Cyclus

De eipakketten worden afgezet in de bodem en de eieren komen het daaropvolgende voorjaar uit. Het aantal nymfale stadia bedraagt waarschijnlijk vier (Detzel 1991).

C. mollis wordt vrij laat in het seizoen volwassen. De imago’s worden in Nederland vooral gevonden van midden juli tot eind september. De vroegste waarnemingen werden gedaan in midden juni en de laatste tot ver in november.

Voedsel

C. mollis is herbivoor. Door keuzeproeven werd bepaald dat een grote variatie aan grassen gegeten wordt. Of de soort ook kruiden eet, is niet bekend (Kaufmann 1965).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

Gezien het voorkomen in de IJsselmeerpolders en de recente uitbreiding in Noordoost-Nederland bezit de soort waarschijnlijk een vrij goed verbreidingsvermogen. Hoewel het mogelijk is dat soms eipakketten met zand aangevoerd worden, is het waarschijnlijker dat volwassen dieren deze gebieden op eigen kracht hebben bereikt. Waarnemingen van geïsoleerde mannetjes, ver van bestaande populaties, vormen hiervoor ook een aanwijzing (Rk).

Begeleidende soorten

C. mollis wordt vooral aangetroffen met zijn algemene verwanten C. biguttulus, C. brunneus en C. parallelus, maar ook met soorten die kenmerkend zijn voor droge, open heide, droog grasland en droge duinen, zoals Myrmeleotettixmaculatus, Oedipodacaerulescens en Stenobothrus-soorten.

Zang

Deze soort roept met een 15-30 s lang aangehouden snortikkend geluid (‘trr-trr-trr-trr...’). Het begint nauwelijks hoorbaar, maar de geluidssterkte neemt geleidelijk toe. Aan het eind van het geluid ontbreekt het tikken meestal (‘...rrr-rrr-rrr’). Baltszang en rivaliseergeluid lijken op de roepzang. De zang is overdag en op warme avonden tot ver na zonsondergang te horen (Faber 1929, Evn).

De zang lijkt wel op die van Myrmeleotettix maculatus (snor­ren zonder tikken) en C. apricarius (tussen twee opeen­volgen­de tikken een tweeledig sissend geluid).

Roepzang

De roepzang van deze soort is een 15-30 s lange, snortikkende echemereeks, bestaande uit 40-80 aaneensluitende echemes van 250-450 ms. Het tempo van 3 (2-4) echemes/s neemt meestal in de loop van een echemereeks af. Bij de laatste 3-7 echemes van een echemereeks valt het tikken meestal weg, waardoor alleen het snorrende deel van de echemes overblijft. De meeste echemes bestaan uit een duidelijk te onderscheiden korte syllabe (de tik) en een er direct op volgende lange serie van syllaben (het snorren). In het begin van de echemereeks is een echeme opgebouwd uit 8-12 en aan het eind uit 17-25 syllaben. Het tempo waar­mee de achterpoten bewegen neemt aan het eind van de echemereeks bij het snorren toe tot 100 syllaben/s, het hoogst bekende stridulatietempo bij veldsprinkhanen. Het bewegingspatroon van de achterpoten verschilt: de tik wordt veroorzaakt bij het snel naar beneden bewegen van één achterpoot, de andere poot wordt dan vrijwel stilgehouden. In het snorrende deel van het echeme worden beide achterpoten tegengesteld trillend omhoog en weer naar beneden bewogen. Iedere trilling is een syllabe. Het naar beneden gerichte deel van de trilling geeft steeds het meeste geluid. Soms ontbreken de laatste snorrende echemes van de echemereeks. Het is niet duidelijk of dit gebonden is aan bepaalde afwijkende individuen, of dat er ook andere factoren in het spel zijn (Elsner 1974, 1977, O. Von Helversen & Elsner 1977, Ragge & Reynolds 1988).

Het antwoord van het vrouwtje lijkt op de roepzang van het mannetje, hoewel het tikken ontbreekt. In een duet met het vrouwtje roept het mannetje eveneens met een minder tikkende klank (Faber 1953).

Rivaliseergeluid

Als rivaliseergeluid klinkt een krassende reeks van 4-10(-20) echemes, die optimaal te horen is als mannetjes zich rond een vrouwtje verdringen. In het veld is dit vooral te horen als reactie op de roepzang van een ander mannetje (Faber 1953, Jacobs 1953, Bo).

Baltszang

Bij de balts klinkt een lange echemereeks, die qua klank lijkt op de roepzang, maar die langer is (20-30 s lang, met 60-100 echemes) en langzamer de maximale geluidssterkte bereikt. Bovendien zijn de snorrende echemes in de loop van de echemereeks vaak krachtiger dan bij de roepzang. De echemereeks wordt met intervallen van 15-20 s herhaald en eventueel voorafgegaan door enkele losse syllaben (niet op cd). Soms volgt kort op deze echemereeks een aantal (5-12) zacht snorrende echemes (niet op cd). Vlak voor het bespringen van het vrouwtje klinken snel herhaalde, schelle syllaben (Faber 1953, Jacobs 1953, Ragge & Reynolds 1988).

Overige geluiden

Tijdens de copulatie kan het mannetje storingsgeluiden maken (Faber 1953).

Frequenties

Een breed spectrum aan frequenties: 7-14 kHz. Ultrasone frequenties zijn vermoedelijk van minder belang.

Bron

Auteur(s)

Willemse, L.P.M., Wingerden, W.K.R.E. van, Odé, B., Nieukerken, E.J. van, Kleukers, R.M.J.C.

Publicatie