Overslaan en naar de inhoud gaan

Bruine sprinkhaan Chorthippus brunneus

Foto: Susanne Kuijpers

Indeling

Acrididae [familie]
Chorthippus [genus] (8/7)
brunneus [soort]

Cyclus

De eieren worden in pakketten van zeven tot veertien (gemiddeld elf) meestal in onbegroeide bodem gelegd. In een meer gesloten grasvegetatie zijn nestbulten van de gele weidemier (Lasiusflavus) gewilde eilegplaatsen. Na één overwintering komen de eieren uit, waarna de nymfen onder normale omstandigheden nog vier maal vervellen tot aan het volwassen stadium. Onder gunstige omstandigheden kan een extra stadium tussen het tweede en derde stadium optreden, waardoor de imago’s groter worden (Hassall & Grayson 1987, Richards & Waloff 1954, Waloff 1950).

In Nederland worden imago’s vooral aangetroffen van eind juni tot eind september. De vroegste waarnemingen zijn van begin juni, de laatste van eind november.

Voedsel

Cbrunneus is herbivoor. Onder natuurlijke omstandigheden is vastgesteld dat zowel grassen als kruiden (bijvoorbeeld schermhavikskruid, Hieraciumumbellatum) gegeten worden (Clark 1947, Van Dam 1963).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

De bruine sprinkhaan is een buitengewoon mobiele soort, die goed kan vliegen. Uit Groot-Brittannië zijn zelfs meldingen van ‘zwerm-gedrag’ bekend (Bains 1940, Haes 1976). Het voorkomen in de IJsselmeerpolders duidt ook op een goed verbreidingsvermogen. Tevens werden door medewerkers van het sprinkhanenproject vaak mannetjes aangetroffen op plaatsen waar zeker geen populaties van de soort aanwezig waren, zoals midden in de stad, op balkons van flats en dergelijke. Of ook de vrouwtjes grotere afstanden kunnen overbruggen is niet bekend, maar wel waarschijnlijk.

Begeleidende soorten

Door de brede biotoopkeuze kan Cbrunneus samen met een groot scala aan soorten worden aangetroffen, vooral de andere algemene Chorthippus soorten, Omocestus viridulus en Myrmeleotettix maculatus. In Laag-Nederland komt C. brunneus vaak alleen samen met C. albomarginatus voor, maar niet zelden is het ook de enige soort. Hoewel er een voorkeur lijkt te bestaan voor droge vegetaties, kan Cbrunneus op de vochtige heide ook samen voorkomen met Stethophyma grossumOmocestusrufipes en Metrioptera brachyptera.

Zang

De roepzang is een kort snorrend ‘srr’-geluid, van ca. 0,1-0,3 s lang, dat in een vrij regelmatige serie van 6-12 wordt geproduceerd. Een serie duurt 10-15 s. Het vrouwtje kan antwoorden op de roepzang van een mannetje. De baltszang lijkt op de roepzang. Het frequent te horen rivaliseergeluid is korter en wordt sneller herhaald dan de roepzang. Mannetjes roepen daarbij afwisselend. Deze soort is voornamelijk overdag te horen, soms ook op warme avonden en reageert in het algemeen vrij sterk op het doorbreken van de zon (Bo, Km).

Verwarring is mogelijk met de eveneens korte roepzang van C. albomarginatus (langer dan C. brunneus) en Pholidoptera griseoaptera (scherper dan C. brunneus).

Roepzang

Als roepzang worden 6-12 korte snorrende echemes in een vrij regelmatige serie van 10-15 s voortgebracht. De echemes zijn ca. 0,1-0,3 s lang en worden met intervallen van 1-2 s herhaald. Een nieuwe serie volgt na minimaal ca. 20 s, meestal nadat het mannetje iets verderop is gaan zitten. Onder koele omstandigheden kan het echeme beduidend langer zijn, tot ca. 0,7 s. Ieder echeme is opgebouwd uit ca. 7 syllaben. Omdat beide bewegingsrichtingen van de achterpoten geluid produceren en omdat de poten niet synchroon be­wegen bestaat het echeme uit een serie van 20-24 geluids­pie­ken van wisselende geluidssterkte. Hoewel dat voor ons ge­hoor nauwelijks waarneembaar is, begint en eindigt het echeme zacht (O. & D. Von Helversen 1994, Jacobs 1953, Perdeck 1957, Bo).

Als twee mannetjes in elkaars buurt (al vanaf 1 m afstand) zitten, gaan ze vaak zeer regelmatig en snel afwisselend roepen. Ieder mannetje roept dan om de ca. 1,6 s. In verband met dit snel afwisselende geluid wordt de soort ook wel ‘tandradje’ genoemd. Bij verkleining van de onderlinge afstand gaan de mannetjes geleidelijk over op het rivaliseergeluid (zie onder). Een mannetje is tot antwoorden te bewegen door met de mond korte ‘f’-klanken produceren. Ze kunnen er zelfs mee worden aangelokt (Jacobs 1953).

Het antwoord van het vrouwtje klinkt als de roep van een mannetje, hoewel iets meer krasserig. Het komt ook wel eens tot afwisselend roepen tussen een mannetje en vrouwtje(Jacobs 1953).

Rivaliseergeluid

Bij rivaliteit roepen de mannetjes afwisselend, waarbij de afzonderlijke echemes ca. 0,1 s lang zijn en feller klinken. Het tempo waarin de echemes worden voortgebracht wordt ook verhoogd, tot driemaal het tempo van de roepzang. Series volgen elkaar ook snel op. Soms komt het tot korte gevechten. Mannetjes kunnen zo met elkaar bezig zijn, dat ze niet aan een aanwezig vrouwtje toekomen (Jacobs 1953).

Baltszang

Ook de baltszang lijkt op de roep, maar wordt sneller (ca. 1 echeme/s) en zachter voortgebracht. Daarop volgen enkele snelle, korte syllaben vlak voor het bespringen van het vrouwtje (Faber 1953, Jacobs 1953).

Overige geluiden

Het mannetje maakt weinig opvallende storingsgeluiden als het vrouwtje tijdens de copulatie beweegt. Er wordt mandibelkrassen gemeld bij het beetpakken van een dier (Harz 1957a: 96, Jacobs 1953).

Frequenties

Een breed spectrum aan frequenties: 5-14 kHz, volgens Butlin & Hewitt (1988) pieken rond 6, 30, 50 en 70 kHz. Het relatieve belang van de ultrasone frequenties is niet duidelijk.

Bron

Auteur(s)

Wingerden, W.K.R.E. van, Willemse, L.P.M., Odé, B., Nieukerken, E.J. van, Kleukers, R.M.J.C.

Publicatie