Overslaan en naar de inhoud gaan

Wekkertje Omocestus viridulus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Acrididae [familie]
Omocestus [genus] (3/2)
viridulus [soort]

Cyclus

De eieren worden in pakketten van vier tot tien (gemiddeld acht) gelegd, op een bodem met een vrij dichte bedekking van grassen. Dit gebeurt altijd bovengronds, aan de basis van graspollen. Na één winter komen de eieren uit, waarna de nymfen nog vier maal vervellen, de vrouwtjes mogelijk vijf maal (Detzel 1991, Ramsay 1964, Richards & Waloff 1954, Waloff 1950). In Nederland worden de imago’s al vanaf eind mei aangetroffen, het meest in juni, juli, augustus en begin september, met late waarnemingen tot in oktober. Het wekkertje is na het knopsprietje de vroegst optredende veldsprinkhaan. Aan het eind van het seizoen zijn de aantallen meestal nog maar klein.

Voedsel

Oviridulus is herbivoor. Door keuzeproeven werd bepaald dat de soort een grote variatie aan grassen en cypergrassen eet en geen kruiden. In Engeland werd onder natuurlijke omstandigheden wel vraat aan kruiden waargenomen (Clark 1947, Kaufmann 1965).

Vlieg- en verbreidingsvermogen

Zowel de mannetjes als de vrouwtjes zijn redelijk goede vliegers. Bij verstoring vliegen ze doelgericht tot tientallen meters ver (RK). Het voorkomen in de IJsselmeerpolders doet vermoeden dat de soort makkelijk geschikte biotopen koloniseert.

Begeleidende soorten

In Noord-Nederland kan een grote groep soorten samen met Oviridulus worden aangetroffen, met name ChorthippusparallelusCbiguttulusCbrunneusMyrmeleotettix ma­culatusStenobothrus stigmaticusMetrioptera brachypteraConocephalus dorsalis en Tettigonia viridissima. In West-Nederland en op de waddeneilanden komt Oviridulus veel samen voor met Conocephalus dorsalis en Chorthippus albomarginatus. Op landelijke schaal lijken O. viridulus en Orufipes elkaar min of meer uit te sluiten, evenals het geval is bij het soortenpaar Chorthippus albomarginatus en Cparallelus. In Zuid-Nederland is Orufipes algemeen in vochtige heidevelden, een biotoop waar in Noord-Nederland Oviridulus veel voorkomt. In Noord-Nederland is Orufipes veel zeldzamer. Dit zou kunnen duiden op concurrentie tussen deze twee soorten, die een sterk op elkaar lijkend geluid maken. In de Engbertdijksvenen (Overijssel) kwam Orufipes vooral in de vochtige terreindelen samen met Steth­ophyma grossum voor, terwijl Oviridulus de drogere stukken leek te prefereren (Griffioen & Uilhoorn 1992, 1993).

Zang

De roepzang is een lang aangehouden, snel tikken van 12-25 s. Het lijkt een beetje op een helikopter, een snel tikkende wekker of een snel draaiende tuinsproeier. Deze roepzang wordt onregelmatig herhaald. Het tikken neemt langzaam in geluidssterkte toe, wordt een tijdje op maximale geluidssterkte aangehouden en daarna abrupt afgebroken. Van nabij is hoorbaar dat er op de achtergrond van dat tikken een scherp ruisen klinkt, als het bruisen van spuitwater. Het vrouwtje kan antwoorden op de roep van het mannetje. Rivaliseergeluid en baltszang wijken niet sterk af van de roepzang. De zang is alleen overdag te horen. De soort reageert daarbij vrij sterk op het doorbreken van de zon.

De zang is met name te verwarren met de roepzang van O. rufipes, die korter en iets zachter is.

Roepzang

De roepzang bestaat uit een snel tikkend echeme van 12-25 s, dat met een interval van minimaal ca. 8 s onregelmatig wordt herhaald. De geluidssterkte neemt binnen een echeme langzaam toe, wordt een tijdje op maximale geluidssterkte aangehouden en daarna abrupt afgebroken. Van nabij is hoorbaar dat er op de achtergrond van dat tikken een aanhoudend, scherp ruisen klinkt. Het echeme bestaat uit vele tikkende syllaben, die meestal met een tempo van 15-20 syllaben/s worden voortgebracht. Het tempo, zoals Jacobs en diverse andere auteurs na hem aangeven (6-10 syllaben/s) is niet representatief. De poten bewegen nagenoeg synchroon. Bij de opgaande pootbeweging klinkt het ruisen, bij de neergaande beweging klinkt de tik. Een stil interval tussen syllaben is, in tegenstelling tot wat Elsner meldt, wel degelijk aanwezig en 3-6 ms lang (Elsner 1974, Faber 1953, Jacobs 1953, Ragge 1986, Waeber 1989, Bo).

Mannetjes reageren op in de nabijheid roepende mannetjes door zelf te roepen. Het vrouwtje kan antwoorden op de roep van het mannetje. Het geluid is zachter dan de roep van het mannetje en slechts ca. 4s lang. Het kan tot een alternerend roepen van beide seksen komen, waarbij het man­netje ook kortere echemes produceert (Jacobs 1953).

Rivaliseergeluid

Er zijn verschillende typen rivaliseergeluid, die ook door elkaar worden gebruikt. Het eerste belangrijke geluid is een tot enkele seconden lang, snel tikkend en luid echeme (‘trrr’). In tegenstelling tot de roepzang wordt hier geen ruisend geluid geproduceerd en is het tempo hoger. Daarnaast klinken soms heldere, korte (tot ca. 1 s lange) echemes, waarbij de poten deels niet synchroon bewegen. Soms worden ook korte series van ‘zi’-syllaben (5-6 syllaben/s) voortgebracht, die hetzelfde klinken als het bespringgeluid (zie baltszang). Deze laatste geluiden worden waarschijnlijk meer algemeen als storingsgeluid gebruikt. De mannetjes hebben bij het rivaliseren soms korte gevechten (Faber 1953, Jacobs 1953, Kutsch 1976, Bo).

Baltszang

Bij het baltsen wordt een lang aangehouden echeme voortgebracht, meer dan 30 s en soms zelfs tot meer dan een minuut lang. Het doet sterk aan de roepzang denken, maar is minder luid. Verder is het fijne achtergrondruisen binnen dit echeme sterker ontwikkeld, waarbij het ruisen ritmisch van geluidssterkte verandert. Een van beide achterpoten beweegt met een grotere amplitude dan de andere. De opgaande beweging van deze poot veroorzaakt het grootste deel van de ruis, terwijl de andere poot halverwege de opgaande beweging kort (20 ms) stil houdt. Dit echeme wordt een aantal malen herhaald met een interval van 10-15 s. Daarna kan een geheel ander, heel zacht echeme van 3-5 s op het lange echeme aansluiten. Hierbij brengen de achterpoten afwisselend enkele syllaben voort met een tempo van 12-16 syllaben per s. De bewegingen van beide poten sluiten daarbij qua ritme naadloos op elkaar aan. Vlak voor het bespringen van het vrouwtje klinken vervolgens enkele losse, luide ‘zi’-syllaben (bespringgeluiden). Bij een mislukte copulatiepoging komt ook scheenschoppen met meestal beide achterpoten (vergelijk overige geluiden) voor; dit klinkt als scherpe tikken. Over het algemeen begint de balts daarna weer van voren af aan (Elsner 1974, Faber 1953, Jacobs 1953, Ragge 1986, Waeber 1989, Bo).

Overige geluiden

Voor beide seksen is een storingsgeluid (‘zi’) beschreven (zie bij rivaliseergeluid). Het bij storing regelmatig voorkomende (eenzijdig) scheenschoppen is bij beide seksen vrijwel altijd geluidloos (Faber 1953, Jacobs 1953).

Frequenties

Een breed spectrum aan frequenties: 6-14 kHz. Ultrasone frequenties zijn vermoedelijk van minder belang.

Bron

Auteur(s)

Wingerden, W.K.R.E. van, Willemse, L.P.M., Odé, B., Nieukerken, E.J. van, Kleukers, R.M.J.C.

Publicatie