Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Soepgans Anser anser f. domesticus

Indeling

Anser [genus]
anser [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusExoot. Minimaal 100 jaar zelfstandige handhaving. (2a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Voorkomen

Soepganzen zijn in 48% van de atlasblokken aangetroffen, waarbij de status als broedvogel in een zevende van de gevallen onduidelijk bleef. Het verspreidingspatroon is tamelijk compleet in kaart gebracht, met misschien een lichte onderschatting doordat niet alle waarnemers de moeite namen om de soort te noteren. In het verspreidingsbeeld vallen twee aspecten op. Allereerst is de soort in het waterrijke deel van het land talrijker dan op de zandgronden, daarnaast zijn vooral stedelijke gebieden goed vertegenwoordigd.

In Laag-Nederland is de Randstad het dichtst bevolkt met Soepganzen; de stedenband Utrecht-Amsterdam-Zaanstad-Haarlem-Leiden-'s-Gravenhage-Delft-Rotterdam is goed zichtbaar. Het Groene Hart van Holland is minder dicht bezet. In het noorden van het land vormen Leeuwarden en Groningen verspreidingsaccenten, net als de Friese meren. In het Deltagebied is deze soort tamelijk schaars, al komt hij er op alle eilanden voor. Alleen Voorne-Putten, de Hoekse Waard en Tiengemeten herbergen noemenswaardige vestigingen. In het Waddengebied is het voorkomen vrij schamel, net als in Flevoland.

Op de zandgronden ontbreekt de soort (Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Gelderse Vallei) of is hij schaars (Drenthe, grote delen van Noord-Brabant en Limburg). Toch zijn er ook in Oost- en Zuid-Nederland verspreidingskernen aan te wijzen, zoals in Overijssel (rond Raalte, Almelo, Oldenzaal en Enschede), in Noord-Brabant (Breda, Tilburg, 's-Hertogenbosch) en Limburg (Maasplassen bij Roermond). Het voorkomen op de zandgronden illustreert hoe een groot aantal vestigingen kan ontstaan uit verschillende ontsnappingen of introducties. Het voorkomen in en rond stedelijke gebieden zal in verband staan met uit parken en kinderboerderijen ontsnapte of losgelaten dieren. Op het platteland moet de oorsprong vooral op boerderijen worden gezocht. Op veel plaatsen zijn de boerderijganzen de wei in gestuurd en aan hun lot overgelaten. In de Achterhoek lieten boeren soms eieren van Soepganzen uitbroeden door Knobbel­zwanen. Eenmaal vliegvlug, vestigden deze ganzen zich in de directe omgeving.

 

Veranderingen

Dit is het eerste complete overzicht van het voorkomen van de Soepgans in Nederland. Tijdens een watervogeltelling in oktober 1993 is de soort vooral in waterrijke gebieden voor het eerst min of meer systematisch geteld (Lensink & Kwak 1994). De huidige verspreiding kent dezelfde zwaartepunten als destijds. Dat de soort nu in meer gebieden is vastgesteld,
reflecteert deels een reële uitbreiding, deels onvolledigheid van de telling in 1993.

Enkele regionale studies duiden op een gestage toename in de afgelopen decennia. Zo nam het aantal Soepganzen rond de stad Groningen in 1979-96 toe met 2,1% per jaar en langs de Lek in Utrecht in 1976-96 met 8,2% (van Dijk 1996, Lensink 1998b). In twee uiterwaarden langs de Waal liep het broed­bestand op met 23,4% per jaar in 1992-2000 tot 70 paren resp. met 14,3% per jaar in 1991-2000 tot 20 paren. In het laatste studiegebied bleek het reproductieve vermogen van de Soepgans wat geringer dan van zijn wilde stamvader, maar voldoende groot om de toename te verklaren (Lensink 1998b, met aanvullingen).

Soepganzen broeden in veel gebieden tezamen met Grauwe Ganzen. Daarbij treden regelmatig kruisingen op. In twee uiterwaarden langs de Waal had van de Soepganzen achtereenvolgens 38% (n=101) en 35% (n=240) een wilde of daarop sterk gelijkende partner. Onder Grauwe Ganzen was 5% (n=823) resp. 17% (n=487) met een Soepgans gepaard. Op deze manier raakt de inheemse populatie Grauwe Ganzen vervuild met gedomesticeerd genetisch materiaal. Uit oogpunt van natuurbescherming is dit ongewenst.

 

Aantallen

In 1993 werd het landelijke aantal Soepganzen geraamd op 3500-9000 (Lensink 1998b). Uitgaande van 6000 vogels toen en een jaarlijkse toename van 10%, zouden er in 2000 bijna 12.000 Soepganzen in ons land rondstappen. Dit suggereert een broedpopulatie van 3000-4000 paren. Daarnaast zijn er minstens 4000-6000 vogels die nog niet geslachtsrijp zijn. Een deel hiervan is misschien wel adult, en als gevolg van kruising en domesticatie blijvend onvruchtbaar.

 

Bron

Auteur(s)

Lensink, R.

Publicatie