Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwartkoprietzanger Acrocephalus melanopogon

Indeling

Acrocephalus [genus] (8/5)

Herkenning
12,5 cm. Lijkt op rietzanger, maar kruin vrijwel zwart, witte, niet crèmekleurige, wenkbrauwstreep, donkere oorstreek, rossige bovendelen met lange zwarte strepen, rossige stuit, witte keel en buik en rossige flanken. Vleugels korter en meer afgerond dan van rietzanger. Zingt vanaf hoge plek, zoals top van rietstengel, evenals rietzanger; overigens vrij schuw en geheimzinniger.

Verspreiding en voorkomen
Standvogel in westelijk Middellandse Zeegebied en een aantal gebieden in Zuidwest-Azië. Broedvogel in Spanje, zuidelijk Centraal-Europa en grote gebieden rondom de Zwarte en Kaspische Zee tot in West-Kazachstan. Wintergast voornamelijk in oostelijk Middellandse Zeegebied en in Irak, Pakistan en India. In Nederland een dwaalgast.

Biotopen
Komt in zijn leefgebied voor in moerassen en meren met weelderige vegetatie, doorgaans niet in monotone rietvelden. In nattere gebieden dan rietzanger.

Voedsel
Insecten, die in vegetatie of in de lucht worden gevangen. Jaagt ook op drijvende vegetatie op vliegen, muggen, etc.

Eieren
Aantal eieren in legsel meestal 3-4, zelden 5-6. Buikig. Glad en glanzend. Wit of grijsachtig-wit; in het algemeen een groenachtig-olijfkleurige tint. Formaat 17,8 x 13,1 mm.

Geluiden
Roep 'tsjuk' en 'trrrt'. Zang als van rietzanger, maar melodieuzer. Karakteristiek en onderscheidend kenmerk zijn de boomleeuwerikachtige 'lulululu'-tonen.

Publicatie