Overslaan en naar de inhoud gaan

Mediterraan kustdraaigatje Tapinoma darioi

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Dolichoderinae [subfamilie]
Tapinoma [genus] (11/6)
darioi [soort]

De in het west- en centraalmediterrane gebied algemene mieren die lang bekend stonden onder de naam Tapinoma nigerrimum blijken een complex van uitermate lastig te determineren (cryptische) soorten te zijn: T. darioi, T. ibericum, T. magnum en T. nigerrimum (Seifert et al. 2017). Tapinoma darioi is pas in 2017 beschreven als soort, en de soort bleek tevens het jaar ervoor uit ons land gemeld te zijn als T. nigerrimum (Noordijk 2016, Seifert et al. 2017). Ook T. magnum blijkt in Nederland voor te komen (Seifert et al. 2017). Onderscheid tussen de soorten gebeurt aan de hand van biometrische detailmetingen aan allerlei lichaamsdelen die daarna in een clusteranalyse worden gestopt. De soorten uit het complex zijn ook lastig te onderscheiden van Tapinoma-soorten buiten het complex, zie hiervoor de tekst onder ‘Gelijkende soorten’.

Mieren uit het nigerrimum-complex hebben tussen het borststuk en achterlijf één schubvormige knoop, die klein is en van boven niet te zien is omdat het achterlijf er overheen is gebogen (net als vele andere vertegenwoordigers van de subfamilie geurmieren, Dolichoderinae). De ‘bovenlip’ (clypeus) heeft een inkeping die duidelijk dieper is dan breed. Bij een Nederlandse vondst van een nest van een mier uit het T. nigerrimum-complex is de soort wel als vertegenwoordiger van het complex te herkennen (zie Noordijk 2016). De grootste werksters zijn groter dan die van de andere soorten: tot 5,1 mm. Bovendien is er een groot verschil in de grootte van de werkstermieren in een nest: er zijn zowel kleine als grote mieren aanwezig. Alle Europese Tapinoma-soorten zijn polygyn (meerdere reproducerende koninginnen in één nest), maar drie soorten uit het nigerrimum-complex (T. darioi, T. ibericum, T. magnum) zijn hyperpolygyn met tot honderden en wellicht duizenden eierleggende koninginnen, hetgeen kan resulteren in megakolonies met druk belopen straten tussen nestopeningen en voedselbronnen. Bij de soorten soorten uit het nigerrimum-complex (in elk geval T. magnum en T. darioi) zijn de nestopeningen vaak karakteristiek gevormd: kratervormig door een opgeworpen rand van zand rondom de nestopening. Deze karakteristieke uitgangen zijn niet altijd aanwezig: regen en wind kunnen ze wegvagen. Als het weer echter een paar dagen rustig en warm is geweest, zijn ze weer fraai opgebouwd.

Het determineren van Tapinoma-soorten is zeer lastig. Exemplaren kunnen opgestuurd worden naar EIS Kenniscentrum Insecten

Bron

Auteur(s)

Noordijk, J.