Overslaan en naar de inhoud gaan

Mediterraan kustdraaigatje Tapinoma darioi

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Dolichoderinae [subfamilie]
Tapinoma [genus] (11/6)
darioi [soort]

Het mediterraan kustdraaigatje maakt superkolonies (unikoloniale structuur). Elk jaar verschijnen er gevleugelde mannetjes en vrouwtjes voor de voortplanting. De vrouwtjes worden bij of in de kolonie bevrucht en blijven in het moedernest om bij te dragen aan de productie van werksters (hyperpolygynie). Zo wordt de kolonie zeer groot en er is geen agressie tussen de werksters van verschillende koninginnen. In Nederland (Wageningen) is zo een kolonie ontstaan onder een stoep over een lengte van 120 meter, waarbij drukke straten van werksters over de gehele lengte lopen van de ene naar de andere nestopening (Noordijk 2016). De dichtheid aan de mieren wordt zo enorm.

De kolonie in Wageningen is uitgebreid bestudeerd (Noordijk 2016). Werksters van het mediterraan kustdraaigatje zijn gedurende de meeste maanden van het jaar te zien. Het ritme per etmaal wordt bepaald door het weer. Bij niet te warm en niet te koud weer en als het niet te hard regent, zijn de werksters continu actief, zowel overdag als ’s nachts. Als het overdag meer dan ca. 33°C is, zijn de mieren nauwelijks meer aan het oppervlak te zien. Bij de eerste, niet al te koude zonnig dagen in het vroege voorjaar zijn zeer omvangrijke kluwens van honderden werksters te zien die zonnen. Bij een aanhoudende periode met zon verschijnen zo vroeg in het jaar ook al weer nestopeningen verspreid over de stoep. Al snel zijn er werksterstraten tussen nestopeningen en voedselbronnen. Cocons worden continu versleept. Als de zon schijnt worden ze aan het oppervlak van de nesten gelegd of naar scheuren in de muren gebracht, bij slecht weer terug dieper de nesten in. Vanaf eind april-mei zijn er poppen van geslachtsdieren gezien en ook die worden continu versleept, al naar gelang de weersomstandigheden. De meeste bovengrondse activiteit is in mei-juni, de periode van de bruidsvluchten. Werksters krioelen werkelijk overal in groten getale en geslachtsdieren zijn dan tijdens een periode van ca. vier weken waarneembaar aan het oppervlak. Ook ongevleugelde koninginnen lopen in de werksterstraten, waarschijnlijk op zoek naar een geschikt plekje in de kolonie om eieren te leggen. In de zomer is het leven aan het oppervlak van de kolonie minder hectisch, maar dit is wel de tijd van de uitbreidingen. De kolonie beslaat een groter oppervlak, al dan niet permanent, om de vele individuen van woonruimte en voedsel te voorzien. De bovengrondse activiteit gaat door tot in de herfst. In de winter leeft de kolonie grotendeels teruggetrokken ondergronds, maar ook dan zijn er vaak nog wel enkele werksters bovengronds te zien, zelfs als het slechts een paar graden boven het vriespunt is of als de zon schijnt ook bij vorst.