Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Agrilus bilineatus

Foto: Hanna Royals, Screening Aids, USDA APHIS PPQ, Bugwood.org

Indeling

Agrilinae [subfamilie]
Agrilus [genus] (17/14)
bilineatus [soort]

Agrilus bilineatus infecteert bomen die verzwakt zijn door bijvoorbeeld droogte, honingzwammen (Armillaria mellea) of rupsen (Dunbar & Stephens 1976, Cote & Allen 1980, Van Driesche et al. 2013). Dode bomen worden niet gebruikt (Haack & Benjamin 1982) en gezonde bomen slechts indien er zeer grote aantallen kevers aanwezig zijn (Dunbar & Stephens 1976).

Afhankelijk van de temperaturen vliegen de volwassen kevers ongeveer van april tot en met half september (Haack & Benjamin 1982, Haack & Acclavatti 1992, Van Driesche et al. 2013), maar soms kan dat met name in het meest noordelijke deel beduidend korter zijn: vanaf half juni tot en met eind juli (Chapman 1915). De piek van de vliegperiode valt in het algemeen in de laatste weken van juni. De verse volwassen kevers eten na het uitvliegen van de bladeren van de waardboom. Ze zijn warmteminnend en verschijnen in de noordelijke gebieden pas tegen het begin van de middag. De paring vindt alleen plaats op zonnige dagen (Chapman 1915). Na de paring zetten de vrouwtjes de eitjes af in diepe kieren in de bast waarbij een voorkeur bestaat voor de stam en dikkere takken (Chapman 1915). De eitjes komen na 10-14 dagen uit (Chapman 1915, Dunbar & Stephens 1976).

De larven voeden zich met het relatief zachte hout aan de binnenkant van de schors, het cambium en het xyleem (Chapman 1915, Haack & Acclavatti 1992). Ze doorlopen 4 stadia waarna de volgroeide larven een kamer uitknagen om daar als prepop in te overwinteren (Dunbar & Stephens 1976). De verpopping vindt plaats in het voorjaar. De poppen zijn 6-10 mm lang. Na een rust van, afhankleijk van de temperatuur, circa tien dagen komen de kevers uit de pop en vreten ze zich via een D-vormige opening naar buiten (Chapman 1915, Dunbar & Stephens 1976, Haack & Benjamin 1982, EPPO 2018). De ontwikkeling is meestal univoltien, hetgeen wil zeggen dat de levenscyclus één generatie per jaar kent (Cote & Allen 1980, Haack & Benjamin 1982). Er bestaan aanwijzingen dat in sommige gevallen de ontwikkeling twee jaar in beslag kan nemen (Haack & Benjamin 1982).

De gebieden waar A. bilineatus voorkomt kennen een klimaat dat vergelijkbaar is met het Europese klimaat. De verwachting van recent onderzoek is dat de soort zich zeer goed zal kunnen vestigen in Europese landen met een vochtig landklimaat zoals Finland, Europees Rusland, Estland, Letland, Moldavië, Wit-Rusland, Oekraïne en Polen. De kans op vestiging van de soort in andere delen van Europa is lager maar, zeker in kustgebieden, aanwezig (Flø et al. 2014). De wijde verspreiding in Noord-Amerika doet ook vermoeden dat de soort zich makkelijk aanpast aan de klimatologische omstandigheden en daarom voor zou kunnen komen in alle gebieden waar de waardbomen groeien (Sundheim et al. 2013, EPPO 2018).

Bron

Auteur(s)

Colijn, E.O.